Man en ik.
Een groot overdekt gebouw. Het is er druk. Veel mensen, een kakofonie aan
geluiden. We zijn op weg naar buiten. Bij de trap een man, klein, dik en enorm
grote schoenen aan zijn voeten. Wijzend naar boven, op luide toon roepend dat
daar de kerstspullen te zien zijn. Hij herhaalt het steeds weer. We kijken
elkaar aan. Ik wil wel naar de ballen en het engelenhaar. We lopen de trap op. En
waar ik tot op dat moment gewoon loop zit ik ineens in een rolstoel, ben ik
plots buiten. Fiets over een smal pad, aangelegd langs een drukke verkeersweg.
Auto’s razen met een rot vaart langs mij heen. Ben volkomen in paniek. Het
zweet gutst langs mijn gezicht. Man nergens meer te zien. In de drukte ben ik
hem kwijtgeraakt. Ik roep, kijk om mij heen, roep weer. Dan zie ik hem, hij
rent naar mij toe. Toch fiets ik verder.
Ik zie hem
wel staan, een lichtblauwe auto, geparkeerd op het pad. Toch ga ik
rechtdoor.
Fiets er tegenaan. Met opzet. Een kras op de bumper, deuk erin, fietswiel krom.
Dan zie ik Man een huis binnengaan. Snel erna over het trapje bij de voordeur
weer naar buiten komen. In zijn kielzog een jonge vrouw. Ik loop over een
andere trap naar beneden. Omgeven door rotsen is daar het meer. Als ik weer
terugkom van Man geen spoor. Wel zie ik een vriendin. Zij wordt belaagd door een
groep mannen. Blijkbaar geniet zij van de aandacht, zij lacht.
Ineens een
motor, maar dat is echt, ik ben wakker. Voel mij onrustig, precies
zoals in de droom. Ik schrijf meteen deze blogpost.