We staan
bij de bakker in de rij. Raken in gesprek over de prijs van een halve en hele
cake. Dat wil zeggen: de vrouw praat, ik hum zo nu en dan een beetje en knik eens
met mijn hoofd. Dat hummen en knikken is blijkbaar voor haar een teken met het
verhaal door te gaan. Nog altijd rekent zij van euro’s naar guldens. Vertelt dat
de boodschappen die zij nodig heeft soms weer in het schap belanden. Het maakt
haar nog steeds kwaad dat de dagelijkse levensbehoeften sinds de invoering van
de euro in prijs zijn verdubbeld. Ik kijk haar aan. Verbaasd. Dat iemand daar nu
nog zo mee bezig is. Bijna veertien jaar na invoering van dit betaalmiddel.
Door dit
gesprek denk ik aan mijn vader.
In het
jaar 2001, het jaar voordat de euro werd ingevoerd, heeft hij mij ontelbare
keren gevraagd hem nog eens uit te leggen hoe de gulden omgerekend moest worden
naar de euro. Hij maakte zich daar heel druk over. Steeds
opnieuw heb ik het hem uitgelegd. Pen en papier bij de hand om de som voor te
rekenen.
De
invoering van de euro heeft vader echter niet meer meegemaakt. Toen hij was overleden
zeiden Zus en ik tegen elkaar:
‘Nu
hoeft hij zich over de euro in elk geval niet meer druk te maken. In de hemel
is die niet nodig. Daar kun je alles gratis krijgen, zoveel als je wilt.’
