Wonend in een stad zag ik
dit niet. Wonend in een dorp zie ik de hele week al wapperende lakens aan de
lijn en dekbedden over de rand van de vensterbank hangen. Ramen zonder
vitrages, extra hulp in huis om de boel schoon te maken. Lente en Pasen in aantocht.
In mijn jeugd werd enkele
weken voor Pasen begonnen aan de grote voorjaarsschoonmaak. In het hele dorp de
ramen van de huizen wijd open. De dekens en matrassen buiten over een stoel, de
lakens aan de waslijn. Er werd opnieuw behangen, de plafonds gewit, de meubels
in de was gezet, geschrobd en geschuurd. Het huis rook naar boenwas,
behanglijm, witsel en poetsmiddelen.
Ook werd er nieuwe kleding
gekocht. Mijn moeder fietste met ons naar een kledingwinkel in een ander dorp. Altijd
naar dezelfde winkel. Ik weet nog goed
dat het lang duurde voordat ik eens aan de beurt was. Droeg ‘afdankertjes’. Die
waren van mijn zus geweest of van de vriendin van mijn zus. Ook droeg ik
kleding van een zus van de vriendin van mijn zus. Op een keer kreeg ik een rode
jurk met witte stippen. Die was te kort. Mijn zus, handig met naald en draad,
knipte er aan de onderkant een stuk af. Naaide een strook van een wit
beddenlaken aan de jurk waarna zij de afgeknipte strook er weer heeft aangezet.
Ik voelde mij verschrikkelijk in de jurk, maar moest haar aantrekken. Dacht dat
iedereen in het dorp zou weten dat de jurk van I. was geweest, de zus van
vriendin A. van mijn zus M. Op mijn zestiende pas kreeg ik
mijn eerste nieuwe truitje. Geribbeld, rood van kleur, korte mouwen en een
goudkleurig ritsje aan de hals.
Op eerste paasdag kwam de
nieuwe kleding tevoorschijn. Bibberend zat je in de kerk. De temperatuur was er
niet naar dat je al in zomerkleding was. Maar zo kon iedereen zien dat je ‘in
het nieuw’ was gestoken. Bij thuiskomst ging de kleding weer uit en in de kast.
Op zondag en op bezoek bij familie mocht je alles weer aantrekken. Je moest er
zuinig op zijn. Tenslotte was het de kleding voor ‘net’ en je moest er het hele
seizoen of langer mee doen.
Bij mij geen grote
schoonmaak. Heb wel nieuwe kleding gekocht. Niet omdat het bijna Pasen is. Ik heb
wat spullen nodig. Het is druk in de winkel. Er zijn veel oudere mensen. Voor hen
is het blijkbaar nog de gewoonte zich met Pasen ‘in het nieuw’ te steken. Maar
er zijn ook andere kopers. Zij lopen met armen vol nieuwe kleding naar de kassa.
Niet één stelletje hebben zij gekocht, maar twee of drie en nog wat ‘losse’
dingen erbij. Ik heb ook meer gekocht, maar niet alles wat ik wil. Ga nog een keer. Na Pasen.
