Van ‘uitgaan’ heb ik niet
veel kaas gegeten. In mijn jeugd mocht het niet, uitgezonderd zo nu en dan naar
het jeugddansen in het patronaat. Daar ging ik dan heen onder begeleiding van
een meisje uit de buurt. Notabene maar één jaar ouder. Toen ik een jaar of 17
was ging ik soms op zaterdagavond in een naburig dorp naar een dansavond. Later
ging ik ook wel eens met collega’s op stap. Altijd met dezelfde mensen naar hetzelfde
café. Daar kon je dansen op plaatjes uit de jukebox. Dat dansen vond ik leuk.
Liefst danste ik de tango. Dat deed ik dan met een collega. Vol passie en met
plezier. Het dansen was de reden om mee naar het café te gaan, niet het ‘uitgaan’.
Dat was in een notendop
mijn uitgaansleven. Het stelde niet veel voor. Had ook niet zoveel behoefte
altijd tussen mensen te zijn. Als kind was ik al graag op mezelf. Was het te
druk in huis, zonderde ik mij af.
Ben altijd een huismus
geweest en nog. Natuurlijk ga ik wel eens de deur uit. Naar vrienden of overdag
een eindje fietsen. ’s Avonds ben ik liefst thuis. Man ook. Voordat wij hebben gegeten
en opgeruimd is het vaak acht uur of later, dan hebben wij geen zin meer nog
veel te ondernemen. Man draait een plaatje, ik lees wat of ben even bezig in het
atelier. Op een doordeweekse avond blijft niet veel tijd over, die is in een vloek en een
zucht voorbij. ‘s Ochtends om zes
uur gaat de wekker weer. Voor Man het begin van een lange dag.
In de weekenden zijn we dan
ook graag samen thuis. Een beetje uitslapen, lekker lang ontbijten, lezen krant
en boek, koken, eten en luieren. We gaan op pad voor boodschappen, rommelen in
de tuin, in huis of atelier. Nu en dan hebben we een afspraak met familie of
vrienden, we bezoeken een museum of gaan ergens lunchen. Af en toe kijken we een
serie op dvd. Dat is het. We zijn niet zo uithuizig. Suf en saai? Misschien is
dat voor veel mensen zo, te weinig reuring. Wij vinden het goed.
