woensdag 11 september 2013

Nieuwe dag


Wat is er van mijn voornemens van gisteren terecht gekomen? Ik zou lezen en schrijven, soep maken en huishoudelijke klusjes aanpakken.
De ochtend verloopt heel anders dan van tevoren bedacht. Net bezig met schrijven, belt Vriend op waarna we de tijd nemen om te praten en het al snel een uur later is. Wel de afspraak om elkaar binnenkort te ontmoeten, ik verheug me daarop!
Inmiddels is de ochtend bijna voorbij, nog geen letter gelezen en weinig letters geschreven. Evenmin die lekkere soep gemaakt en evenmin die huishoudelijke klusjes gedaan. De voordeurbel rinkelt, ga ik kijken wie er voor de deur staat? Vriendin. Heb geen behoefte aan bezoek, maar op haar aanbod mij met iets te helpen kan en mag ik niet weigeren. Eerst thee gezet en boterhammen gesmeerd. Een paar uur later moet het klusje nog steeds geklaard worden. Nadat Vriendin vertrokken is, trek ik mijn jas en schoenen aan en in de auto ga ik op weg naar vrienden. Die afspraak moet ik nakomen, het is een tijdelijk afscheid voor hun verre reis. Daarna weer snel naar huis, maar dat ‘snel’ kan ik wel vergeten. Voor veel mensen is het einde van hun werkdag en het is druk op de weg. Bij thuiskomst moet ik me haasten. Het eten liefst bijtijds op tafel, Man en Vriend komen eraan en hebben weinig tijd. Zij gaan deze avond naar een concert. Weer alleen, ruim ik de tafel af en berg wat spullen in de keuken op. Ik verheug me op de avond alleen. Alle tijd om te lezen, misschien nog te schrijven. Heb niet gelezen, een paar woorden maar geschreven, morgen lukt het vast beter. Nu is het weer ‘vandaag’. Om half acht gewekt, Man op rand van bed, een schaal met fruit en verse koffie voor mij. Begin van een nieuwe dag, heb er zin in. Wat ga ik doen? In elk geval wil ik lezen en schrijven.

dinsdag 10 september 2013

Vandaag

Vanochtend vroeg wakker, om half vijf al. Ieder normaal mens slaapt dan nog, maar ik niet en eenmaal wakker blijf ik wakker. Ontwaakt door een geluid. In mijn hoofd is het dan onmiddellijk feest, de woorden dansen dat het een lieve lust is. Van alles verzin ik om de ideeën te onthouden. Maar eigenlijk wil ik nog niet denken en bezig zijn, ik wil slapen.
Het begin van de dag is pas goed nadat ik koffie heb gehad, daar geniet ik van, nog lekker lui en warm onder het dons liggend. Dan ga ik lezen, pak mijn boek, maar al snel ook de laptop en lees allerlei, het nieuws, mijn mail en ik kijk op facebook. Dan komt het spannendste van alles: op funda kijken of er deze dag een leuk huis voor ons te koop staat. Veel ‘verplichtingen’ heb ik al op de vroege ochtend. Als ik die allemaal achter de rug heb maak ik het ontbijt. Zuivel voor Man, fruit erbij voor mij en natuurlijk verse koffie, het belangrijkste ’s ochtends, ook voor Man. Als dan de wekker om zes uur ‘zingt’ heb ik er voor mijn gevoel al een halve dag opzitten en ben ik er klaar voor om samen aan de dag te beginnen. Man doucht, kleedt zich aan, smeert brood, loopt heen en weer. Van slapen komt zo niets meer, ik ga ook uit bed. Als ik hem heb uitgezwaaid, Man op fiets buiten zwaaiend en ik binnen achter de luxaflex zwaaiend, ga ik aan de dag beginnen. Ik wil lezen en schrijven, een paar huishoudelijke klusjes doen, soep wil ik maken en op de fiets een boodschap doen. Zal zien wat ervan terecht komt, anders is er morgen weer een dag.

maandag 9 september 2013

Gedicht 'Het zou vreselijk zijn'

Het zou vreselijk zijn
Elke ochtend als dezelfde te ontwaken.

Maar vreselijker nog zou het zijn
de avond te zien vallen
met ogen van de ochtend.

zondag 8 september 2013

Onderweg


Regelmatig gaan Man en ik naar een lezing of interview van een auteur. Zo togen wij ditmaal naar een lezing van Michael Berg. We hadden, toen Man thuis kwam van zijn werk, snel gegeten om bijtijds in Sittard te zijn. Alles ging voorspoedig, ook de reis. Maar aangekomen in Sittard stuitten we op een wegomlegging. Daar had de routeplanner niet in voorzien, wat te doen? Niet voor één gat te vangen reed ik gewoon over de opengebroken weg, de tijd begon te dringen. Na veel zand, hobbels en kuilen, tegenliggers waardoor enige stuurkunst van een auto wel gewenst was, kwamen we uiteindelijk bij DE parkeerplaats. Motor afgezet, zonnebril voor gewone bril verwisseld, uitgestapt, we waren er klaar voor, verheugd ook dat we bijtijds waren. Maar waar keek Man nou naar? Volgens een bordje aan een paal stonden we op een parkeerplaats voor vergunninghouders. Een vriendelijke man adviseerde ons een andere parkeerplaats te zoeken wilden we niet het risico van een parkeerbon lopen. Hij legde ook nog uit hoe op het einddoel te komen, eerst driemaal rechts, dan links en dan het centrum in. Het was wel koopavond zei de man, maar er was een parkeergarage, het zou vast wel lukken de auto te kunnen parkeren. Vol goede moed, het is niet niks in een stad volkomen onbekend te zijn, maar nu toch enigszins gehaast gingen we weer op weg. Driemaal rechts, dan links, het centrum in, zelfs de parkeergarage vonden we. Gelukkig met maar één uitgang, God weet waar we anders terecht waren gekomen, veel tijd hadden we niet meer. Na ’n paar keer vragen, eindelijk, daar was de boekhandel, precies op tijd gearriveerd. 


We hebben genoten van Michael Berg, een boeiend verteller, van de ambiance tussen de boeken, van het praten met nóg een auteur die we daar ontmoetten, Yvonne Franssen, waarvan ik een boek heb gekocht dat door haar, op mijn verzoek, is gesigneerd. Het was een leuke avond. Na afloop weer richting parkeergarage, ingang gesloten. Middels een papier op de deur werden we doorverwezen naar een andere ingang om de hoek. Daar aangekomen bleek alles in duisternis, de deur op slot en niets om de parkeerkaart in te stoppen, voor een ‘leesvenster’ te houden of wat dan ook. In de verte een vrouw met hondje. Haar gevraagd hoe we in de garage konden komen, zij wist het niet. Andere voorbijgangers gevraagd, zij wisten het ook niet. Politie bellen en om raad vragen? We wilden naar huis. Toch nog maar eens naar de hoofdingang? Toch nog maar eens kijken waar we dan precies moesten zijn? Onderweg een jonge vrouw achter glas, zij zag mij zwaaien, parkeerkaart in de hand. Blijkbaar, Man was heel rustig, straalde ik iets hulpbehoevends uit. Zij mimede waar we de parkeergarage weer binnen konden gaan. Dáár waar we met de auto de garage ingereden waren. Eindelijk de auto, Man betaalde, we konden uitrijden. Inmiddels was het tien uur. Op het nippertje, de garage sloot om tien uur zagen we bij het uitrijden. Onderweg zegt Man dat onze jasjes nog in de boekhandel liggen.


donderdag 5 september 2013

Lezen



Lezen is een van mijn favoriete bezigheden. Van kindsbeen af heb ik alles ‘gelezen’, ook toen ik nog niet kon lezen. Maar met het ontdekken van de leesplankjes, de letters en de woorden die je daarmee kon maken, ging er een wereld voor me open. Ik zie me nog naast de haard op de grond zitten, knieën opgetrokken en met mijn neus in? Ja in wat? Iets, een krant, een reclameblad waarin tekst, foto’s en plaatjes. Ik zat daar en wilde lezen. Er waren in mijn ouderlijk huis geen boeken, tenminste toentertijd niet, later wel. Geld om boeken bij de bibliotheek te lenen was er niet. Wanneer ik voor het eerst een boek mocht gaan lenen en van wie ik het dubbeltje daarvoor heb gekregen, weet ik niet meer. Voor mij was het een triomftocht door het dorp, op weg naar de bibliotheek.
In die bibliotheek, gevestigd in een oud schoolgebouw, stonden drie kasten met boeken: een ‘meisjeskast’, een ‘jongenskast’ en een ‘volwassenenkast’. Ik mocht alleen kiezen uit ‘de meisjeskast’, daar werd streng de hand aan gehouden. Maar iedere week een boek lenen betekende dat ik alles uit de kast in korte tijd gelezen had, zoveel boeken waren er niet. Ik mocht uitzoeken uit de ‘jongenskast’, die boeken trokken me allesbehalve. Waar ik de moed vandaan heb gehaald is me nu nog een raadsel, maar ik liep naar de ‘volwassenenkast’. Vol verwachting was ik, maar de biebjuf vond het niet zo’n goed idee. Ik werd weggeplukt, letterlijk vastgepakt in mijn nek en naar de ‘meisjeskast’ gebracht. Wat een teleurstelling dat was kan ik nu nog voelen. Ik kan me niet meer herinneren hoe het verder ging en of ik uiteindelijk toch een boek mee naar huis heb genomen. Wel kreeg ik korte tijd later, met mijn verjaardag, een paar ‘eigen’ boeken. Ik heb ze nog, muf ruikend, los in de band door het vele bladeren en steeds weer herlezen. Ik koester deze boeken: ‘Annemieke en de club van Jan-Pak-An’ geschreven door Anneke Bloem en ‘Loesje springt in de bres’, ook geschreven door Anneke Bloem.

Nu staan in alle kamers van mijn huis volle boekenkasten, er liggen boeken op de grond, op tafel, in een doos naast het bed, overal boeken. Ik ben nu nooit zonder boek, het zijn er zoveel dat ik soms niet eens weet welk te kiezen. Dan ga ik met een stapel naast me op de bank zitten en blader, leg weg, pak op, pak weer een ander boek in de hand. Ik wil alles tegelijk lezen, uiteindelijk begin ik in een ervan, ben vol verwachting!
Ik ben gaan lezen en er niet meer mee opgehouden. Voor mij is taal fascinerend, ook leerzaam en geeft me stof tot nadenken. Ik raak erdoor geïnspireerd.

dinsdag 3 september 2013

Zondag



Zondag. Waar andere mensen juist die dag met het gezin op pad gaan, een fietstocht maken, een museum bezoeken, op visite gaan bij oma en opa of bij andere familieleden, zijn wij altijd thuis.
Op die dag is het bij Man en mij de dag voor ‘ons samen’, pyamadag genoemd. In werkelijkheid een dag met huisbroek aan (en ja, dat kan ook wel eens een pyamabroek zijn). Maar wat voor broek het ook is, het is die dag ‘pyamadag’. De start is heerlijk, lekker uitslapen en wakker worden met een kopje koffie. Daarna gaat Man uit bed en zorgt voor het ontbijt. Ja, ik ben dan nog heel lui, blijf meestal nog een tijdje liggen. Soms help ik Man, dan dek ik de tafel, maar met ‘het eten’ bemoei ik me niet. De ene keer is dat uitgebreid met kaas, tomaatjes, jam, fruit en zuivel, ‘n andere keer is het een stevig ontbijt, gebakken eieren met gesmolten kaas, dan hebben we geen behoefte aan méér. Overheerlijk zijn Man’s ontbijtjes en sapjes en koffie ontbreken nooit. Het kan ook zijn dat Man ’s ochtends vroeg eerst gaat hardlopen, dan blijf ik nog lekker onder het dons en wacht tot hij weer thuiskomt. Op die dagen komt het stevige ontbijt op tafel. We zitten lang aan tafel, we praten, we lezen kranten en boeken óf we rommelen wat in de tuin. Maar onze laatste zondag is heel anders verlopen. Wij ‘vierden’ onze pyamadag, niets aan de hand, maar plots kreeg ik het idee naar Roermond te rijden. De buurt te verkennen waarin we een huis ’te koop’ hebben zien staan. In pyamabroek kunnen we natuurlijk niet op stap. We gaan dus douchen en ‘mooi’ maken, tenslotte gaan we op een zondag onder de mensen. Dan in de auto en op pad. Druk op de weg, bijna geen verschil met doordeweekse werkdagen, zelfs vóór Roermond in de file gestaan. Hoe dat kan? Mensen op weg naar het centrum van Roermond of het outlet center, winkelen dus, blijkbaar doen mensen op zondag niets liever. Wij kwamen uiteindelijk aan in ‘de buurt’, reden rond, keken rond. Hebben langs de stoeprand gestaan, koffie gedronken die we meegenomen hadden, hulde aan Man daarvoor! En daarna? Snel naar huis, naar ‘onze pyamadag’! ’s Avonds, ondanks het ritje, toch opgepept voor de nieuwe week. Volgende zondag gewoon weer een pyamadag, weer genieten, want dat doen we op zo’n dag!

maandag 2 september 2013

Allerheiligen


Die dag gingen we naar de kerk, mijn vader en ik. Het was Allerheiligen, een november, een zondagmiddag. Op die dag werden de doden herdacht. We gingen naar het ‘lof’ van drie uur. Ik keek naar hem op, mijn vader met zijn stuurse gezicht. Er werd niets gezegd, mijn vader praatte niet met mij, nooit. Ik begreep niet dat we ook naar het kerkhof zouden gaan. Er lag daar ‘een oma’ begraven, de moeder van mijn vader. Maar hoe kon dat nou? Ik had nog 2 oma’s, iedereen had er twee, geen drie. Het had iets geheimzinnigs en het had ook iets heel iets beangstigends voor mij. Ik was een beetje bang voor mijn vader, dat was ik altijd. Toch vroeg ik aan hem: ‘waarom heb ik 3 oma’s, één in Posterholt, één in St. Odiliënberg en één op het kerkhof?’ Mijn vader zei niets, negeerde mijn vraag, ik durfde niet verder te vragen. Voelde me angstiger dan voorheen. Ik was een jaar of 10.